naar top
Menu
Logo Print

ONTSTEKINGSBESCHERMINGSWIJZE

De ontstekingsbeschermingswijze geeft aan volgens welke methode de explosiebeveiliging wordt uitgevoerd.

Motoren voor gas

Bij motoren in een omgeving met explosieve lucht-gasmengsels gelden de volgende ontstekingsbeschermingswijzen:
  • Ontstekingsbeschermingswijze d (drukvaste behuizing):
    Zelfs als er in de motor een explosie plaatsvindt, houdt de aan de explosie onderhevige omhulling stand. Eventueel ontsnappend gas is in die mate afgekoeld dat een externe explosieve omgeving niet kan worden ontstoken. Om de optredende druk bij een explosie af te bouwen, is de apparatuur voorzien van drukontlastspleten. Deze drukontlastspleten zijn constructief zodanig gevormd dat ontsnappende hete gassen bij de opening zover zijn afgekoeld dat een externe explosieve omgeving niet ontstoken kan worden.
  • Ontstekingsbeschermingswijze e (verhoogde veiligheid):
    Bij normaal bedrijf en bij te verwachten storingen is geen ontstekingsbron aanwezig. Dit wordt bereikt door constructieve maatregelen zoals hoogwaardige isolatiesystemen of langere luchtwegen. Bij normaal bedrijf wordt het bedrijf met de gebruikelijke storingen in de apparatuur aangeduid.
  • Ontstekingsbeschermingswijze nA (niet vonkend):
    De eisen in de ontstekingsbeschermingswijze nA komen grotendeels overeen met de eisen in de ontstekingsbeschermingswijze e, maar dan voor storingsvrij bedrijf.
  • Ontstekingsbeschermingswijze i (intrinsieke veiligheid):
    Intrinsiek veilige stroomkringen worden zodanig uitgevoerd dat door energiebegrenzing in geval van een fout, noch een vonk, noch een thermisch effect in staat is een explosiegevaarlijke atmosfeer te doen ontsteken.

 

Motoren voor stof

In tegenstelling tot de gasexplosiebeveiliging voor elektrische apparatuur zijn bij de stofexplosiebeveiliging geen verschillende ontstekingsbeschermingswijzen bekend. Een maatgevend constructiecriterium is onder andere dat er wordt voldaan aan bepaalde IP-beschermingsgraden:

  • IP-beschermingsgraad IP65.
    Bij deze beschermingsgraad is de behuizing op die manier geconstrueerd dat er geen stof kan binnendringen. Er hoeft dus geen rekening gehouden te worden met ontstekingsbronnen binnen in het huis. Alleen het huis zelf kan een ontstekingsbron zijn (oppervlaktetemperatuur). Door een permanente temperatuurbewaking van het huis kan een effectieve beveiliging worden gerealiseerd.
  • IP-beschermingsgraad IP54.
    Bij deze beschermingsgraad is het voldoende als de constructie van de behuizing zodanig is dat het binnendringen van stof in gevaarlijke hoeveelheid wordt voorkomen. Er hoeft dus geen rekening gehouden te worden met ontstekingsbronnen binnen in het huis. Alleen het huis zelf kan een ontstekingsbron zijn (oppervlaktetemperatuur). Door een permanente temperatuurbewaking van het huis kan een effectieve beveiliging worden gerealiseerd.

 

Reductoren voor gas én stof

Bij reductoren gelden de volgende ontstekingsbeschermingswijzen:

  • De ontstekingsbeschermingswijze c (constructieve veiligheid):
    De beschermingswijze waarbij constructieve maatregelen toegepast worden om voldoende bescherming te garanderen tegen een mogelijke ontsteking door hete oppervlakken, vonken en door bewegende delen veroorzaakte, adiabatische compressies.
  • De ontstekingsbeschermingswijze k (beveiliging door vloeistofonderdompeling):
    De beschermingswijze waarbij potentiële ontstekingsbronnen niet actief kunnen worden of geheel gescheiden worden van de explosieve omgeving. Deze beveiliging wordt bereikt door ofwel het gedeeltelijk of geheel onderdompelen van de ontstekingsbron in een beschermingsvloeistof, ofwel door het voortdurend bevochtigen van een oppervlak dat een ontsteking kan veroorzaken, met een beschermingsvloeistof.

BIJZONDERHEDEN BIJ TOERENTALGEREGELDE DRAAISTROOMMOTOREN

Kortsluitrotormotoren worden, afgezien van mechanische variatoren, vooral in toerental geregeld via een frequentieregelaar. De explosiebeveiliging van dergelijke aandrijvingen dient op een andere manier opgelost te worden dan bij netbedrijf omdat spanning en frequentie variabel zijn en het variabele toerental vanwege de afwijkende koelende werking van de ventilator de thermische belasting extra beïnvloedt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen explosieveilige motoren met een frequentieregelaar opgesteld buiten het gevarengebied (in de schakelkast) en motoren met een geïntegreerde frequentieregelaar (in de aansluitklemmenkast van de motor).

 

Toepassing van categorie 2g in zone 1

Explosieveilige geregelde motoren voor zone 1 worden uitsluitend in drukvaste constructie geleverd. De thermische beveiliging van de drukvaste motor vindt plaats via PTC-temperatuurvoelers als enige beveiliging. De stroomsterkte van de regelaar dient op een vaste maximumwaarde tot tweemaal de nominale stroom begrensd te worden. De frequentie mag 110% van de geteste frequentie niet overschrijden.

Toepassing van categorie 3 in zone 2 of 22

Toerentalgeregelde toepassingen in zone 2 en 22 worden bij voorkeur geprojecteerd met draaistroomkortsluitrotormotoren van de categorie 3 en de volgens de technische specificaties toegelaten frequentieregelaars in de schakelkast buiten de explosiegevaarlijke zone. Voorwaarde is daarbij dat de motor een beperkt koppel levert. De thermische beveiliging vindt uitsluitend plaats met PTC-temperatuurvoelers en een toegelaten uitschakelapparaat.